Over GL & TL in Beroepsperspectief
De aanvragende vmbo-scholen vinden dat de huidige Theoretische leerweg (TL) en Gemengde leerweg (GL), varianten van de ‘oude’ mavo, hun leerlingen:- onvoldoende uitdagend onderwijs bieden
- onvoldoende voorbereiding op het zelfstandiger kunnen leren in het mbo
- onvoldoende oriëntatie op het bedrijfsleven
- onvoldoende oriëntatie op doorstroommogelijkheden in het beroepsonderwijs
Dit is een landelijk probleem, waar individuele scholen met GL of TL tegen aanlopen. Het onderwijsaanbod in deze leerwegen is veelal een som van losse vakken. We geven dit weer in onderstaande modellen.
- In TL: losse avo- vakken op het rooster en in de GL: losse avo-vakken en één beroepsgericht vak. In de TL kan ook één beroepsgericht vak aangeboden worden, maar alleen als extra zevende vak. Dit vormt dan een extra studiebelasting voor een leerling.
- In sommige GL is iets meer sprake van vakkenintegratie: er is afstemming tussen avo-vakken, het beroepsgerichte vak en een geïntegreerde projectenband
Alle aanvragende scholen merken, ieder in hun eigen regio, dat hun GL/ TL-leerlingen door dit ‘vakkenonderwijs':
- gedemotiveerd raken en het onderwijs voortijdig verlaten (in vmbo, maar vooral mbo)
- door hun mindere motivatie onder hun niveau presteren en in te lage aantallen doorstromen naar het Havo of naar de hogere niveaus in het mboin het mbo
- terugkomen op hun doorstroomkeuze
Het regionale bedrijfsleven krijgt daardoor op termijn onvoldoende en onvoldoende gekwalificeerde arbeidskrachten.
Doelstellingen
Het project wil bovengenoemde problemen structureel oplossen. Beoogde doelen zijn:
- Dat leerlingen gemotiveerd zijn om te leren en te werken. Het voortijdig verlaten van het onderwijs zal verminderen (in vmbo, maar vooral mbo).
- Meer leerlingen zullen op hoger niveau doorstromen naar het havo, dan wel naar de hogere niveaus in het mbo, niveau 3 en 4 (en daarna naar het hbo).
- Leerlingen zullen beter overwogen keuzes maken voor hun vervolgopleiding. Deze leerlingen zullen in het mbo minder vaak van studierichting veranderen dan het landelijk gemiddelde.
- Mogelijk ander gevolg van een betere oriëntatie zou kunnen zijn dat de doorstroom kwantitatief gaat veranderen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat leerlingen minder voor administratieve richtingen gaan kiezen en meer voor technische. Streven is dat de doorstroom beter gaat aansluiten bij de regionale situatie.
- Zowel kwalitatief als kwantitatief zal dan op termijn het niveau van toekomstige werknemers toenemen en beter aansluiten op de regionale situatie. Het (regionale) bedrijfsleven zal in 2010 gemakkelijker en beter gekwalificeerde arbeidskrachten kunnen krijgen.
Leidende gedachte bij het ontwikkelen van oplossingen is dat leren in authentieke beroepsgerichte contexten jongeren beter in staat stelt om een verbinding te maken tussen hun persoonlijke kwaliteiten en de mogelijkheden op de regionale arbeidsmarkt en vervolgopleidingen.
In dit project willen de partners een TL/ GL -programma ontwikkelen dat doordrenkt is van beroepscontexten, zodat het onderwijs zowel uitdagender als effectiever wordt.
Producten
- Definitief projectplan
- Beschrijving van de regionale arbeidsmarktsituatie + regionale activiteitenplannen
- Onderwijsmodel voor contextrijk geïntegreerd onderwijs in de Gemengde en Theoretische leerweg (inclusief modellen voor integratie van beroepsoriëntatie en algemeen vormende vakken). Het onderwijsmodel dient als voorbeeld en voorziet in een flexibel onderwijsprogramma voor het 3e en het 4e leerjaar van de GL en TL dat de leerling keuzemogelijkheden biedt. Doorstroom naar het havo blijft mogelijk.
- Een competentiematrix
- Ten minste 6 concrete onderwijsopdrachten voor het 3e (4) en het 4e (2) leerjaar per driehoek, ontwikkeld in samenwerking met het regionale bedrijfsleven en het samenwerkende mbo, op basis van een competentiematrix. Deze opdrachten zijn zowel voor het vmbo als voor het samenwerkende mbo geschikt. Zij kunnen zowel op school als in een bedrijf worden uitgevoerd. In deze projectopdrachten leren leerlingen niet alleen ‘nadenken’, zelfstandig werken, plannen, samenwerken en inhoudelijke kennis, maar zij ontdekken ook wat er zich in een sector afspeelt.
- Organisatiemodel passend bij de onderwijsvernieuwing. Hierbij wordt gedacht aan een model voor roostering, model voor inzet van onderwijs- en onderwijsondersteunend personeel, en voor gebouw- en lokaalinrichting. Dit organisatiemodel dient als voorbeeld.
- Nieuwe modellen voor samenwerking met het bedrijfsleven (voor binnen- en buitenschools leren)
- Model voor doorstroming en overdracht van vmbo naar mbo, inclusief een voorbeeld-PTA en een regionale proeve van bekwaamheid.
- Website, nieuwsbrief en publicatie met regionale good practices
- Onderzoeksrapport
- Evaluatierapport
- Plan van Aanpak voor verbreding
Resultaten
- Eerste ontwikkeling bij circa 10 vmbo scholen vindt plaats in de periode van september – december 2006.
- Pilots bij circa 10 vmbo scholen en bij de ROC vinden plaats vanaf januari 2006: leerlingen van de deelnemende scholen voeren integrale opdrachten uit.
- Schooljaar 2007-2008 zal het eerste volledige integrale jaar zijn voor 3e klassers van het vmbo.
- De lichting leerlingen die met het herontwerp heeft kennisgemaakt zal in 2007-2008 vmbo examen doen. De eerste echte lichting in 2008-2009.
- In 2007-2008 zal als pilot een proeve van bekwaamheid afgenomen worden in de vorm van een experimentele opdracht.
- Elk jaar zal in het onderzoek de doorstroom van leerlingen gemeten worden. Schooljaar 2005-2006 dient als 0-meting. In 2007-2008 is mogelijk een eerste kwantitatieve verschuiving in doorstroomrichtingen en niveau te zien. De leerlingen die als pilot het gehele nieuwe programma hebben doorlopen stromen in 2008-2009 door naar het mbo. De leerlingen met gedeeltelijke ervaringen zitten dan in hun 2e mbo-jaar. Bij hen kan dan gemeten worden hoe standvastig hun keuze was.
- De onderwijsorganisatie van de GL&TL zal flexibeler zijn, de onderwijsinhoud meer op de buitenwereld gericht. Docenten gaan andere rollen vervullen, behalve onderwijsgevende zijn zij ook onderwijsontwikkelaar, hebben zij meer contact met het bedrijfsleven, zullen zij meer optreden als coach van hun leerlingen, en hierdoor meer plezier hebben in hun werk. Dit laatste is zichtbaar in een afname van het ziekteverzuim onder docenten.
